Wij, het water

In vloeibare staat dansen we erop los. We walsen van de ene mole­culaire verbinding naar de andere, onze energie is tomeloos. Daalt de temperatuur, dan vermindert ook onze energie. We trillen veel minder hard en we krijgen de neiging om heel geordend samen te klonteren. Het begint met zes van ons, die een regelmatige geo­metrische zeshoek vormen. Daarna sluiten anderen zich, steeds zes­hoeken vormend, bij ons aan. Onze onderlinge aantrekkings­kracht is zo sterk, dat we niet langer vloeibaar zijn, maar vast.

 

IJs zijn we, in de barre en extreem koude eerste maand van het jaar 1799, in onder andere de Rijn, Waal en Maas. Op 26 januari lijkt rondom Keulen de ergste kou voorbij. Een lichte temperatuur­stijging laat ons scheuren. Het is het begin van ons spoor van onheil en tragiek waarmee we de winter van 1799 zullen kenmerken.

 

Op 26 januari om twee uur ’s middags breekt bij Keulen het ijs in de Rijn. Wij staan dan 16 voet hoog. Om vijf uur vriezen we weer vast. Op 19 voet hoogte. We zijn ijsschotsen die worden opgestuwd door het aanstromende gesmolten water (wat we ook zijn), en we klim­men steeds hoger. Tot 25 voet op 27 januari. We raken weer los van elkaar. Als ijsplaten schuiven we over en onder elkaar door, langs elkaar heen, schurend, slijpend, meegesleurd door de stroom, voort­gestuwd door het water dat zijn weg zoekt naar zee. De Rijn biedt niet genoeg ruimte voor ons allemaal. Daardoor stapelen we ons op en groeien we uit tot kleine ijsbergen. We verstoppen de rivier. En watermoleculen die niet bevroren zijn, zien geen andere mogelijkheid dan de rivier te verlaten. Steeds voortgestuwd door achteropkomend water.

 

In Keulen verzwakken we de stadsmuren door er steeds tegenaan te beuken en weten we de stad binnen te dringen. We stromen moei­te­­loos door de straten en over pleinen, door donkere steegjes en brede wegen. We zijn met zovelen, water én ijs, dat we steeds dieper de stad instromen, steeds sneller, steeds hoger reikend, steeds meer paniek veroorzakend. We blijven maar komen. Tot het moment dat we de daken van de huizen bereiken. Dan houden we het voor gezien. Voor even. Langzaam vloeien we weer weg via de rivier, de stad uit; ijsschotsen, huisraad, voorraden, bomen, kadavers en mensen-lijken met ons meesleurend. Wat we achterlaten is slib, chaos, rommel, paniek, ontgoocheling en ontreddering. Totale wanhoop en verslagenheid.

 

En hier blijft het niet bij. We zijn op weg naar de Noord- en Zuiderzee om ons met het zoute water te mengen. Maar voordat we daar arriveren, hebben we nog een wekenlange verwoestende reis af te leggen.