Ondertussen in Ooij, bij Nijmegen

21 februari 1799

Zes uur ’s avonds, de winterzon is al een tijdje onder. Ooij, bij Nijmegen, staat onder water, maar de ervaring heeft nog niet geleerd dat dit levensbedreigend gevaar met zich meebrengt. Tijdens eerdere overstromingen bleef de schade immers beperkt. Dus waarom zou dat nu anders zijn? De weduwe van timmerman Mos is er echter niet gerust op en is een paar dagen geleden naar Nijmegen uitgeweken. Daar heeft ze onderdak gevonden bij haar zus. Haar oudste zoon, haar dochter en de knecht zijn achtergebleven, onder andere om plunderaars buiten de deur te houden.

 

In de nacht van 21 februari maken zij zich klaar voor de nacht. Jacob, de timmermanszoon, kijkt nog even uit het dakraam naar het water en het ijs. Hij ziet geen bijzonderheden en twijfelt of het waterpeil al aan het zakken is. Nauwelijks heeft hij zijn hoofd binnengehaald, of een schok laat het hele huis op zijn fundering trillen. Jacob verliest bijna zijn evenwicht, maar weet zich grijpend naar een dakbalk staande te houden. Met angstwekkend geraas verbrijzelt een vervaarlijke ijsschots de zijmuur van het huis, die in brokstukken in het water valt. De timmermanszoon heeft meteen de ernst van de situatie in de gaten en roept naar zijn zus en de knecht dat ze onmiddellijk in de aak moeten springen, die vastgebonden aan het achterhuis in het water drijft.

 

‘Snel! Het huis kan elk moment instorten!’

 

(…)